Lompat ke isi

Halaman:Practisch Nederlands-Madurees Woordenboek.pdf/11

Dari Wikisumber bahasa Indonesia, perpustakaan bebas
Halaman ini telah diuji baca

à, vier à vijf, empaq léma aafs, on- derstboven, songsang ; omgekeerd, ƀălik aaien liefkozen, tēmang ; wrij- ven, osap aak sampan aaks băđung aal paling, beluq ; groot soort, oléng aalfuik bubu aalmoes, gift, đăna ; of- fer, sandeka

aalrijk banjaq olēng aalshuid ko- lēq olēng aam lēger aambeeld paron aambeien onbloedige, tēmpēq; bloedige, mēndjen aamborstig be- nauwd v/d borst, seksek of ampek ; hijgend of fluitend, mengē aamech- tig hijgen, ngangsor; benauwd, te- pegă; erg — ngaq-engaqan; aam- borstig, mengé

aan, in brieven, kaator dăq; — boord, ē-kapal; vz ē; naar, đăq = ka aanaarden, ophogen, tēmƀuk ; vullen, oroḡi aanbakken of aanbaksel kerēq aanbeeld paron aanbeeldsblok soko- na paron aanbehoren, bezitting, andiq aanbelang, van — radjă; dringend, parlo aanbelangen, wat betreft, dări perkara ; aangaande, băb aanbellen, luiden, krontjēng ; aanschellen, taƀu lontjēng aanbetrouwen, iets toever- trouwen, tētēpaḡi ; aan iem. — tētēƀi of petoroq ; vertrouwen, pertjadjă

aanbevelen, aanprijzen, alem aan- bidden, met diepe eerbied, njemƀă njongkem ; het rituele gebed doen, semƀădjăng ; bidden, ađuă aanbid- ding, godsverering, ēbădăt; aanroe- ping, duă ; verplichte — semƀădjăng

aanbieden, iets — atoraḡi; iem. ’n meerdere iets — atorē ; iets overrei- ken, đjuluaḡi aanbieding, medede- ling, patoran ; bod, penabăr aanbij- ten, bijten, kēkēq ; knabbelen, kēskēs aanbinden talēē aanblaffen ḡăungē aanblazen, blazen, serop; met ’n waaier, kepaj aanblijven, laten, đina; voortgaan, teros ; niet ophouden, taq ambu ; niet uitdoven, taq matē; — van vuur, odiq

aanblikken, fixeren, panđeng aan- bod, geschenk, ter-ater; belofte, sang- ḡup ; afspraak, đjănđji aanbonzen, aanstoten tegen, đumpak ; stoten met het hoofd, antor; met het lichaam, ƀentor ; storen, senđu ; telkens ergens tegen aanlopen, tong-tepentong

aanbotsen, aanstoten met het hoofd, taantor ; met het lichaam, teƀentor ; met de elleboog, tjēngkol aanbou- wen, maken, ḡăbăj ; ergens tegen aan bouwen, gănduqaḡi; (werk) onder handen nemen, samƀut; vermeerde- ren, sēmbu aanbranden poron

aanbreken v/d dag, sēang; ochtend- krieken, potē tēmor; aankomen, dă- teng ; ergens aankomen, napaq

aanbrengen, meebrengen, kēbă ; ’n zaak voor de rechter, perkaraaḡi ; iets

plaatsen of ergens — pasang ; gelei- den, ater ; opbrengen, olē ; aanklagen, ḡuḡăt; verklappen, băđul aanbrul- len, brullen, dărăng aandacht, ho- ren, ngēding; herinnering, ngaq-ēnga- qan aandachtig, nauwkeurig onder- zoeken, tētēnē ; — zijn, djăgă; in- dachtig zijn, ēngaq; voorzichtig, tē- ngatē; naarstig, ƀădjeng; streng, ƀănter aandeel, deel, đuman ; toebe- schikt deel, băgiăn

aandeelhouder, deelnemer, sé no- roq băgiăn ; deelhebber, sé andiq ba- gian aandenken, voorwerp dat ons aan ioi herinnert, tanđă mata aan- dienen, iem. — ngadepaḡi; zich — ngadep aandiepen kalē aandoen van kleren of aangorden, angḡuj ; aangaan, seper; ’n haven of plaats — seperē; moeite — ḡăbăj sosa; veroorzaken, aḡăbăj ; leed — sēksa ; ’n proces — perkaraaḡi

aandoening aangedaan, enes ; wee- moed, sosa atē; ziekelijkheid, sakē- qan aandoenlijk, droevig, sosa ; medelijdend, nēser

aandraaien, draaien, moter; vast- draaien, sekené aandragen, meebren- gen, ḡibă; aan ’n draagstok, mēkol aandrager, lastdrager, koli aandrang paksa aandrentelen, langzaam lopen, ađjălăn laonan

aandrift, lust of begeerte, hăwă; opgewonden door afgunst, panas atē; verlangen, pengatero ; drift of toorn, napso aandrijven, aanvuren, ađu; met de stroom, anjoq ; drijven op wa- ter of andere vloeistof, kambăng ; dwingen, maksa aandringen, op iem. — ngerēbung ; aanhouden met vragen om iets, amēlmēl ; aanhouden met vra- gen naar iets, tjomēl; aanzetten tot iets, patjo ; dwingen met geweld, maksa (p) aandruisen, iets weerstaan, alabăn ; iem. weerstaan, nlabăn

aandrukken, op iets drukken, ta- pet ; tegen iets drukken, seket aan- duiden, voorspellen, alamat; aanwij- zen, atođu ; met de vinger, đuđing ; kennis geven, beriq tao ; aan ’n meer- dere, mator onēng ; uitleggen, tera- ngaḡi; iets begrijpelijk maken, ngar- tēaḡi aanduiding, bericht, berta; voorteken, lamat of alamat

aandurven, durven, băngal ; iets — asangḡup aaneen, steeds door, ta- dăq tjokbăna ; al maar door, anteng; te zamen met, aƀăreng; doordoen, masētong; verenigd, apolong; dicht — kerep ; dicht — doen sluiten, parapet of rapetaḡi aaneenbinden talēē pasē- tong of papolong aaneenvoegen ra- pet aanfokken obu

aanfokking obuăn aangaan, aan- doen, seper; geducht — ḡiḡir; — bij,